Deel deze pagina:

De visie van ...

Isabeth Mijnarends

Isabeth Mijnarends is landelijk Jeugdofficier van Justitie en bijzonder hoogleraar jeugdstrafrecht in Leiden. Hoe kijkt zij aan tegen jeugdstrafrecht en jeugdreclassering in Nederland?

Durf het Openbaar Ministerie aan te spreken

Auteur: Harry van den Bosch

Hoe staat het er in Nederland voor met jeugdstrafrecht?

‘Het lijkt wel alsof opvoeden sinds de transitie van de jeugdzorg naar de gemeenten helemaal is uitbesteed aan het sociaal domein. Dat is spannend omdat de grondslag voor het jeugdstrafrecht toch een pedagogische is, namelijk leren van fouten en (re)socialisatie. Het gaat erom dat we jeugdige verdachten met waardigheid behandelen als ze in het strafproces terecht komen en daar ligt ook een opdracht voor de overheid. Het bijeenbrengen van die werelden, de gemeentelijke wereld en de wereld van de traditionele justitiepartners, zie ik als een belangrijke uitdaging. Wat kunnen wij van elkaar leren? Waar hebben gemeenten behoefte aan bij de aanpak van jeugdcriminaliteit? Welke lokale interventies zijn beschikbaar om specifieke groepen jeugdige verdachten aan te pakken? En andersom: weet het sociaal domein voldoende met welke vaak zware problematiek Openbaar Ministerie en rechters worden geconfronteerd op zitting?’

Maar jeugdstrafrecht is toch stráfrecht?

‘Natuurlijk, maar je zou willen dat het systeem zo functioneert dat de jeugdige snapt dat een straf nodig is ter compensatie van het door hem toegebrachte leed. Ook wij als Officier van Justitie leren steeds meer over de impact en betekenis van straffen. We begrijpen dat straffen zonder positief voorbeeld weinig effect sorteert. Dat vraagt dus van de overheid niet alleen een snelle reactie maar ook een constructieve reactie, waarbij de verdachte merkt dat er naar hem en het slachtoffer wordt geluisterd. Dat is de strafkant, die je niet los kunt zien van het hele pedagogische klimaat van straffen en belonen in de opvoeding. Jeugdstrafrecht moet bijdragen aan de opvoeding. Vergelding is zeker niet het doel.’

Gaat u uit van een ideaal?

‘Ja, het pedagogisch ideaal is de grondslag van het jeugdstrafrecht en daarmee is dit recht expliciet anders dan in het volwassenenstrafrecht. En dat schept direct dilemma’s, want vergelden en (re)socialiseren vragen nu eenmaal om een andere houding van professionals. De samenleving wordt complexer. Emancipatie van het slachtoffer wordt steeds steviger. Steeds meer kennis uit aanpalende wetenschappen, bijvoorbeeld ontwikkelingspsychologie, komt vrij. De inzet en het effect van het strafrecht worden nadrukkelijk aan ‘nature en nurture’ elementen gekoppeld. Dit vraagt om een duidelijke visie op de toepassing van het jeugdstrafrecht.’

Wat is uw visie op straffen?

‘Mij houdt het fenomeen bezig dat je met belonen meer bereikt binnen de opvoeding dan met straffen. Maar hoe doe je dat? Wat vraagt dat van de klassieke justitiepartners, hoe betrek je het sociaal domein daarin, komen slachtoffers en de samenleving nog wel voldoende aan bod? Ik zou graag een grotere rol zien voor ouders, in elk geval voor ouders met wie de jeugdige verdachte een vertrouwensband heeft. Natuurlijk zijn er ouders contraproductief voor hun kinderen. Tegelijk leren we uit onderzoek van Weijers en Van Drie dat ouders een belangrijke reden zijn voor jong volwassenen om te stoppen met criminaliteit. Het strafrecht moet een middel zijn dat ook ouders steunt en zelfs breder. Het hele familieverband zou meer betrokken kunnen worden.’

Is dit een taak van het sociaal domein?

‘Dat is zeker een taak van het sociaal domein, inclusief de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering. Maar hoe kunnen we dat zodanig op elkaar afstemmen dat het een kloppend systeem wordt? De problemen zijn groot. Kinderen die delicten plegen, komen vaak uit een gezin dat zelf ook beschadigd is. Je ziet problemen die van generatie op generatie overgedragen worden. Maar zonder afstemming en het pakken van een andere rol door het Openbaar Ministerie en het sociaal domein samen, gaan we dit niet doorbreken. Wat moet ik voor straf eisen voor een kind dat een autokraak pleegt en thuis te maken heeft met verslavingsproblematiek, armoede, huiselijk geweld, criminele families en ga zo maar door? Het fragmentarisch inzetten van het jeugdstrafrecht draagt weinig bij als niet ook wordt afgestemd op de context van zijn omgeving. Mijns inziens kan dat nog beter.’

Wat wilt u veranderen?

‘We moeten in ieder geval een brug slaan naar het sociale domein. Ik merk dat door de vele reorganisaties van de afgelopen jaren de afstand groter is geworden tussen het Openbaar Ministerie en de werkers die in de gezinnen komen en die de jeugdreclassering uitvoeren. Nu de transitie lijkt afgerond, is er ruimte om gezamenlijk de transformatie in te vullen. Binnen het Openbaar Ministerie ontstaat steeds meer bewustzijn dat de context-informatie over de verdachte vanuit het sociaal domein cruciaal is om het delict gedrag te duiden. Daarvoor lijkt een optimaler gebruik van de verschillende systemen en instrumenten noodzakelijk.’

Waar maakt u zich druk om?

‘Ik vraag me steeds meer af of we de verschillende risicotaxatie instrumenten die we als strafrechtketen hebben wel voldoende op elkaar hebben afgestemd. Moeten we daarbij bepaalde concepten niet tegen het licht houden? Natuurlijk is een essentieel begrip ‘licht waar het kan’ of ‘het minst ingrijpende middel eerst’. Dat past binnen het juridisch gehanteerde begrip van proportionaliteit. Wat me zorgen baart, is dat ik als Officier van Justitie nogal wat 16- en 17-jarigen op de zitting zie die hun criminele carrière hebben opgebouwd met een navenante opbouw aan straf: eerst een paar keer een werkstraf, dan wat voorwaardelijks erbij en dan opeens pats boem een PIJ. Dat snap ik dan niet goed. De eerdere interventies hebben klaarblijkelijk onvoldoende geholpen.

Jeugdstrafrecht moet bijdragen aan de opvoeding, het is geen vergelding

Ik snap natuurlijk ook dat het strafrecht zelf soms in de weg zit, juist vanwege die bepalingen van proportionaliteit. Maar waar missen we de boot? Was er meer informatie en deden we daar niets mee? Waren er meer signalen van risicofactoren en hoopten we met elkaar dat anderen die zouden oppakken? Sommige risicofactoren zijn al zichtbaar bij de eerste keer dat een jongere aangehouden wordt voor een relatief gering delict. En dan is het de vraag: wat is bepalend voor de wijze van strafrechtelijk reageren: de risicofactor of de ernst van het delict? En hoe verhoudt zich dat tot de pedagogische invulling van het jeugdstrafrecht? Daar moet weer meer aandacht voor komen.’

Bent u als Officier van Justitie bezig met straffen, belonen of helpen?

‘Misschien wel alle drie. We weten dat de overgrote meerderheid van jongeren, zo’n 90%, na 1 of 2 keer ophoudt met het plegen van delicten. Een kleine groep gaat door maar ook die houdt na verloop van een aantal jaren op. Maar we weten nog altijd niet precies of dat door het strafrecht op zichzelf komt. Of door de zitting, door de jeugdreclassering, door andere factoren zoals betrokken ouders, zoals wordt gesuggereerd door Weijers en Van Drie? Zijn ze slimmer geworden? Om wat voor groep gaat het? Wat zijn de verschillen in persoonlijkheid en achtergrond van die jongeren?

We weten er nog te weinig van en dat is jammer. Als we weten waarom dat zo is, dan zouden we misschien ook gerichte actie kunnen ondernemen om het ontstaan van een harde kern in te dammen. Het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen, het LIJ is daar zeker behulpzaam in maar een eerdere screening en diagnostiek is wat mij betreft noodzakelijk. Ik neem toch aan dat ook bij deze jongeren al vroeg risicofactoren aanwezig waren en ook in kaart zijn gebracht. We zouden die informatie, juist van de jongere groep delinquente jeugdigen, nog meer voor wetenschappelijk onderzoek moeten gebruiken.’

Wat voor onderzoek zou u willen laten doen?

‘Wat ik net noemde. Doen we met elkaar echt het goede? Als we weten dat er zoveel informatie beschikbaar is, duiden we die dan vroegtijdig genoeg? Waarom ontspoort een kleine hardnekkige groep jongeren pas echt op hun 16e terwijl we ze al jaren met kleinere delicten voorbij zien komen? Ik denk dat wij als professionals, werkzaam in een keten, elkaar daar veel scherper op mogen en moeten bevragen.’

Hoe kan jeugdcriminaliteit worden aangepakt?

‘Alleen op basis van goede informatie en goede samenwerking met de justitieketen kan jeugdcriminaliteit worden aangepakt. Ik zie daar een grote rol voor het sociale domein, maar de wijze waarop de transformatie moet worden ingevuld blijkt een lastige. Met de informatie van het LIJ en de rol van de Raad voor de Kinderbescherming moeten we gezamenlijk beleid gaan ontwikkelen. Daarbij horende  noden en ontwikkelingskansen van deze kwetsbare groep jeugdigen centraal te staan.

Doortastendheid is best lastig voor veel professionals

Dat betekent in mijn visie ook dat we oog blijven houden voor de complexe casuïstiek waar veel van deze jeugdigen deel van uitmaken. Dat zie ik helaas nog onvoldoende gebeuren. De gemeente is daar verantwoordelijk voor. Hoe duiden we patronen van trauma’s van deze groep als ze een delict hebben gepleegd? Pakken we de problematiek dan integraal aan of doen we dan toch nog allemaal gefragmenteerd ‘ons ding’? Wat voor hulp en behandeling hebben we eigenlijk nodig? Is er voldoende scholing en training voor deze groep, kunnen we de schuldenproblematiek aanpakken of stopzetten om ze op adem te laten komen? Doortastendheid en het elkaar aanspreken op verantwoordelijkheden is best lastig voor veel professionals. Ze moeten met lef optreden en elkaar, maar ook het Openbaar Ministerie, durven aan te spreken op dingen die niet kloppen.’

Waarop kunnen professionals het Openbaar Ministerie aanspreken?

‘Snel vervolgen, openstaan voor overleg, bij terug melden snel actie ondernemen om de geloofwaardigheid te handhaven. Aangeven wat deze groep echt nodig heeft. Binnen de keten moet men meer naast elkaar staan om jonge boefjes of doorgewinterde jeugdige delinquenten en zelfs de jong volwassenen bij te sturen. Dat geldt voor de wijkagent, maar ook voor de wijkteammedewerker, de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering. Meer elkaar aanspreken en stimuleren binnen de keten.’

Zouden uw collega’s dat pikken?

‘Dat denk ik wel, als het ingekaderd is in goede samenwerking. Elkaar weten te vinden, korte lijnen en respect voor elkaars verantwoordelijkheid en deskundigheid en professionaliteit zijn cruciaal.’

Ziet u een wijkteammedewerker een formele rol spelen bij intensieve trajectbegeleiding?

‘Daar zou ik op zich niet op tegen zijn. Het kan belangrijke winst opleveren bij het ondersteunen van de familie van de jongere. Maar ik zie ook de worsteling in de praktijk. Er zijn wachtlijsten als er speciale zorg nodig is. Voor de transitie leek de samenwerking en beschikbare kennis veel duidelijker, met meer informele samenwerking. We vinden elkaar niet meer zo gemakkelijk. Er is meer bureaucratie dan vroeger. Terwijl we dat juist hoopten te vermijden met de transitie.

Er is nu minder ruis en slordigheid. Zaken worden niet vergeten of raken niet meer zoek, wat vroeger wel eens gebeurde. Wat ik mis, is de informele samenwerking en het vertrouwen dat de juiste kennis beschikbaar is bij professionals die de weg weten. Digitale systemen zijn nu eenmaal niet zo flexibel, ze zijn vrij dwingend. Hiervoor zouden we toch een oplossing moeten kunnen vinden, lijkt mij.’

Dus de transitie heeft nog onvoldoende transformatie opgeleverd?

‘Dat klopt. Het zijn nog te veel eilanden. Maar ik zie ook veel goede dingen. Vooral bij actieve en betrokken professionals die met lef durven aan te pakken. De vraag is hoe we die verder kunnen mobiliseren en activeren. Ik ben voor herstel van de korte lijnen. Voorwaarde is dan wel dat die professionals zich veilig genoeg moeten voelen om op die manier te werken. Dat kan alleen maar door de samenwerking te zoeken van hoog tot laag.’

Geplaatst op 13-12-2016 door Lucinda van Ewijk interesting13 1644 0

0 Reacties

Geef een reactie

Stuur mij een email bij een nieuwe reactie.