Deel deze pagina:

Nieuwe praktijken

‘Goed genoeg’: daar gaat het om

De integrale werkwijze van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond moet ertoe leiden dat er meer kinderen veilig opgroeien zonder dat daar altijd een gedwongen kader aan te pas hoeft te komen. Wel kan een gezin hulp ‘opgedrongen’ krijgen zonder tussenkomst van Raad of kinderrechter.

In de nieuwe werkwijze zijn we er direct bij.

Door: Joanka Prakken

Een belangrijke stap in de ontwikkeling van de nieuwe Rotterdamse jeugdbescherming was de inrichting van het Jeugdbeschermingsplein in 2012. Hulpverleners en andere professionals kunnen daar hun zorgen over een jeugdige en gezin melden. Meestal gebeurt dat als vrijwillige hulpverlening niet toereikend is of als ouders weigeren mee te werken aan hulp. Op het Jeugdbeschermingsplein buigt een vaste kern van deskundigen zich dagelijks over de binnengekomen zorgmeldingen. Aan deze zogeheten jeugdbeschermingstafel onder voorzitterschap van de gemeente Rotterdam zitten vertegenwoordigers van een gecertificeerde instelling voor jeugdbescherming, de Raad voor de Kinderbescherming, Veilig Thuis, het wijkteam, de professional die de melding heeft gedaan en – indien nodig – iemand met ggz-expertise. Bij iedere melding stellen zij de aanpak vast. Er wordt gekeken welke professionals er in het jeugdbeschermingsteam rond het gezin zitten en wie de regie over dat team op zich neemt. Binnen vijf dagen wordt er samen met het gezin bepaald welke hulp ingezet wordt. De casusregisseur zorgt er vervolgens voor dat de gemaakte afspraken direct in gang worden gezet.

Meer samenwerken

De nieuwe aanpak is geboren uit absolute noodzaak. Uit cijfers blijkt dat de Raad voor de Kinderbescherming in Rotterdam gemiddeld twee keer vaker een onderzoek start dan in de rest van Nederland, maar gezinnen moesten voorheen gemiddeld zes tot negen maanden wachten op zorg en ondersteuning. Leonore Gerrits, coördinator Kenniscentrum bij Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, is blij met het plein. ‘In plaats van in de keten na elkaar te werken, zijn we veel meer gaan samenwerken. Als er een melding was, ging voorheen de Raad eerst onderzoek doen, bepaalde vervolgens de rechter of er een maatregel moest komen en pas daarna kon de jeugdbeschermer aan de slag. Zo ging het in het gunstigste geval want we hadden dus ook wachtlijsten. Heel schrijnend want uiteindelijk hebben we het hier wel over de veiligheid van kinderen. In de nieuwe werkwijze zijn we er direct  bij.’

We grijpen een crisis aan om een gezin te motiveren tot verandering.

Dwang of drang

De deskundigen aan de Jeugdbeschermingstafel kunnen aan de slag met verschillende aanpakken: (voortzetting van de) vrijwillige hulp, drang met en drang zonder raadsonderzoek. Als de rechter een kinderbeschermingsmaatregel heeft uitgesproken, wordt er gewerkt binnen het dwangkader. Wordt er gekozen voor het – nog even – voortzetten van vrijwillige hulp, kan de hulp die het gezin op dat moment krijgt gewoon geprolongeerd worden zonder dat er iets extra’s uit de kast wordt gehaald. In de tweede optie blijft die hulp er ook maar niet langer vrijblijvend. Het gaat dan om ‘drang’ zonder raadsonderzoek. Hierbij ontvangen gezinnen hulp, maar ze moeten wel meewerken en zich aan een aantal voorwaarden houden.

‘We grijpen de crisis aan om een gezin te motiveren tot verandering’ , aldus Gerrits. Als een gezin dat niet accepteert of er te weinig vooruitgang wordt geboekt, volgt er alsnog een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Bij deze drangaanpak gaat het dus om niet vrijblijvende overheidsbemoeienis zonder dat er juridische maatregelen aan ten grondslag liggen. Tot slot kan de veiligheid of ontwikkeling van een kind dusdanig bedreigd worden dat er dwang met een raadsonderzoek moet worden toegepast om het gezin hulp te laten accepteren. In dat geval gaat de hulp die het gezin op dat moment krijgt gewoon door maar start de Raad ook direct een onderzoek. Dit kan ertoe leiden dat de Raad de rechter vraagt om een kinderbeschermingsmaatregel. In het laatste geval is er geen sprake meer van vrijblijvendheid. Die allerlaatste fase is de dwangfase.

Een jeugdbeschermer schrijft mee aan het plan van aanpak en voert dat plan samen met het gezin uit.

Methode Integrale Jeugdbescherming

Bij zowel dwang als bij drang schakelt het Jeugdbeschermingsplein een gecertificeerde instelling voor jeugdbescherming in om de casusregie op zich te nemen. Meestal is dat Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond. Die heeft een integrale aanpak ontwikkeld die naadloos aansluit bij de werkwijze van het Jeugdbeschermingsplein. Deze nieuwe werkwijze van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, ook wel bekend als Methode Integrale Jeugdbescherming, begint zodra er op het Jeugdbeschermingsplein tot een drangmaatregel wordt besloten of als er een casus binnenkomt waarbij al een kinderbeschermingsmaatregel is uitgesproken. Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond schakelt dan meteen hulp in. Dat is meer dan alleen maar een consult. Een jeugdbeschermer schrijft mee aan het plan van aanpak en voert dat plan samen met het gezin uit. In de drangfase. Maar ook in de dwangfase. Want mocht er toch een ondertoezichtstelling komen, dan ligt de uitvoering daarvan bij diezelfde jeugdbeschermer. Het doel van de Rotterdamse aanpak is een maatregel te voorkomen of, als dat niet lukt, ervoor te zorgen dat deze zo snel mogelijk wordt beëindigd.

‘We bespreken met ouders altijd wat er aan de hand is en wat er moet gebeuren om van ons af te komen’, zegt Gerrits. ‘We vragen hun hoe zij dat voor elkaar denken te krijgen. In die zin zijn ze ook betrokken bij het maken van het plan. Met het oog op de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen stellen wij natuurlijk wel bepaalde randvoorwaarden maar je probeert ouders zoveel mogelijk een rol en de regie te geven. En natuurlijk doen we ook een beroep op het netwerk. Niet alleen om mee te helpen het tij te keren maar ook om een oogje in het zeil te houden, als wij weer vertrokken zijn.’

Te veel hulpverleners kunnen een situatie  ook problematiseren.

De jeugdbeschermer brengt in kaart welke andere hulpverleners er in een gezin zitten. Dat gebeurt aan de zogeheten teamtafel waarvoor ook de ouders uitgenodigd worden. “Op die manier krijg je zicht op wat er allemaal speelt en wat er moet gebeuren maar ook in hoeverre er overlap is in de hulp”, vertelt Riet van de Kamp, voormalig projectleider van de Methode Integrale Jeugdbescherming. “Ik herinner me een heel zorgelijke situatie waarbij tien hulpverleners betrokken waren die vaak niet eens van elkaars aanwezigheid in het gezin wisten. Door dat overleg hebben we dat aantal kunnen terugbrengen tot een paar hulpverleners die echt wat toe te voegen hadden. Alleen dat maakte al zo’n verschil dat er – ondanks de zorgen – nooit een maatregel is gekomen. Te veel hulpverleners kunnen een situatie  ook problematiseren.’

Vanuit de jeugdbescherming waren we in het verleden geneigd te zeggen dat een opvoedsituatie nog niet goed was en we de maatregel maar beter konden verlengen.

Goed genoeg?

Rotterdam spande zich daarnaast ook in om bestaande hulp in een gedwongen kader zoveel mogelijk af te sluiten. Van de Kamp: ‘Vanuit de jeugdbescherming waren we in het verleden geneigd te zeggen dat een opvoedsituatie nog niet goed was en we de maatregel maar beter konden verlengen. We dienden dan een verlengingsverzoek in en dat werd negen van de tien keer gehonoreerd. Het gevolg was dat je maatregelen had die wel tien jaar voortduurden.’

Om daar een einde aan te maken introduceerde Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond Viervensters een analysemodel, ontwikkeld door adviesbureau Van Montfoort, om de opvoedingssituatie inzichtelijk te maken. In venster 1 van dit model brengen de hulpverleners in kaart wie het belangrijk vinden dat het weer goed gaat met het kind, in venster 2 inventariseren zij de feiten, venster 3 gaat over de weging van (de ernst van) de situatie en venster 4 gaat over de te nemen vervolgstappen. ‘Met het viervenster-model onderbouwen we de vraag of een situatie goed genoeg is om een maatregel af te sluiten, en kijken we wat de toegevoegde waarde is van een verlenging. Je concretiseert het begrip veiligheid op die manier. Zo kwamen we bijvoorbeeld al zeven jaar bij een gezin met vier kinderen over de vloer. Op grond van de analyse van het venstermodel konden we zeggen: moeder gaat nooit veranderen maar de kinderen gedijen er goed onder. Wat voegen wij er dan nog aan toe? Omdat we konden regelen dat een tante een oogje in het zeil hield en de kinderen altijd bij een intern begeleider op school terechtkonden, was er geen reden meer om deze maatregel opnieuw te verlengen.’

Natuurlijk vraagt dit ook wat van professionals. Zeker omdat risicosturing de afgelopen jaren kenmerkend was voor de manier van werken in de jeugdbescherming. ‘Professionals moesten echt leren om los te durven laten’, zegt Van de Kamp. ‘Ook als het misschien nog te vroeg is om je uit een gezin terug te trekken, moet je je altijd aan de hand van de viervensters de vraag stellen: wat moeten wij en de ouders nog doen om ervoor te zorgen dat de situatie wel goed genoeg is?’ De zoektocht naar ‘goed genoeg’ is ook geïntegreerd in drangfase. Gerrits: ‘Ook daar kijken we met ouders, kind en professionals naar wat er moet gebeuren voor de situatie weer “goed genoeg” is.’

Succesvol

De nieuwe aanpak sloeg aan. Gerrits: ‘Tegen de verwachting in wilden menen meewerken. Zelfs gezinnen die we bij de Raad meldden omdat ze die hulp in eerdere instantie geweigerd hadden. Op het moment dat we op de stoep stonden nadat we een raadsmelding hadden gedaan en we ook direct iets te bieden hadden, zei bijna iedereen: “Ok, dan doen we mee”.’ En het lijkt er eveneens op dat er door de werkwijze minder vaak een zwaar traject hoeft te worden ingezet. Zo is sinds de invoering ervan het aantal uithuisplaatsingen na een raadsmelding gehalveerd, en zijn er minder ondertoezichtstellingen.

Geplaatst op 4-5-2016 door Lucinda van Ewijk interesting5 1657 0

0 Reacties

Geef een reactie

Stuur mij een email bij een nieuwe reactie.