Deel deze pagina:

De visie van ...

Hans Spigt

Hans Spigt is voorzitter van Jeugdzorg Nederland. Hoe draagt hij met zijn organisatie bij aan de veranderingen in de jeugdzorg?

Ook de jeugdhulp kan niet op zijn eigen eiland blijven zitten.

Auteur: Harry van den Bosch

Over zichzelf zegt Hans Spigt: ‘Opgeruimde jongen. Ik sta fris in de wereld en kijk open tegen maatschappelijke problemen aan. Ik wil dingen veranderen en ben daarom in de politiek gegaan. Je moet bereid zijn om aan de knoppen te gaan zitten. Ik problematiseer niet maar denk het liefst met anderen na over hoe we de problemen kunnen aanpakken. Ik geef daarbij graag leiding aan dat proces.’

Hoe past de politiek daarin?

‘De Partij van de Arbeid is voor mij synoniem aan spreiding van kennis, inkomen en macht en de sociale verzorgingsstaat die daarbij hoort. Een solidaire en verantwoordelijke samenleving dus. De samenleving heeft naast de ouders een taak om de jeugd te scholen en op te vangen. Je kunt niet automatisch verwachten dat de overheid je problemen allemaal oplost.’

Geldt dat ook voor het opheffen van onveiligheid?

‘Daar heeft de overheid natuurlijk wel een rol. Zeker wanneer ouders niet in staat zijn om hun kinderen een veilige plek te bieden. Toch moeten we zoveel mogelijk voorkomen dat kinderen uit huis moeten. Hulp dicht bij huis is daarvoor de meest aangewezen oplossing. Onze instituties hebben hierin samen met wijkteams en onderwijs nog veel te doen.’

Dat klinkt makkelijk en iedereen zal het daarmee eens zijn. Hoe zie je dat voor je?

‘Zowel wijkteams als scholen kunnen nog dichter bij de mensen staan. Jongeren zouden zelf de weg moeten kunnen vinden naar het wijkteam. Dat is nog niet het geval. We zouden de jongeren meer moeten opzoeken. Zijn waar zij zijn. Bijvoorbeeld in de school. Toen ik wethouder was in Dordrecht regelden we dat een medewerker van Bureau Jeugdzorg meedraaide in de zorgteams van de scholen. Toen de jeugdzorg in 2005 naar de provincie ging, mocht dat opeens niet meer. Ik heb dat nooit begrepen.’

Het zou toch mooi zijn als elke school, of zelfs elke klas, een juf Janneke zou hebben

School is een belangrijke invalshoek voor jou?

‘Zeker. Maar dan moet je verder gaan. Hoe zorg je ervoor dat ouders en leerlingen vertrouwen krijgen in school? Dichterbij hen komen is het antwoord. Laten we de fictieve juf Janneke nemen. Juf Janneke is niet de onderwijzer maar doet kleine klusjes in de klas, en is daarnaast professioneel hulpverlener. Zij wordt een vertrouwd figuur voor de kinderen en op termijn ook voor ouders. Zij heeft snel door als er iets aan de hand is, is deskundig en alert op signalen en kan snel in actie komen als het nodig is. Het zou toch mooi zijn als elke school, of zelfs elke klas, een juf Janneke zou hebben. Haar taak is daarmee ook ondersteunend aan het onderwijzend personeel zelf. Wanneer je je als leerkracht bij alle kinderen één keer per jaar te eten laat uitnodigen, creëer je betrokkenheid. Vooral voor gezinnen met een andere culturele achtergrond is dat zeer betekenisvol. De ouders leren je kennen en vertrouwen en jij leert meer over de thuissituatie. Het kost je natuurlijk wat avonden per jaar, maar het levert bijzonder veel op is mijn overtuiging. Hier zou in de bekostiging van het onderwijs naar gekeken moeten worden.’

Die tijdsinvestering is wellicht een belemmering? Er wordt nu al geklaagd over te weinig tijd door bijvoorbeeld de administratieve lasten in het onderwijs.

‘Dan doe je dat toch niet? Wat is nou belangrijker, de kinderen toch? Ik weet dat het makkelijk is gezegd, toch is het belangrijk het gevecht met de bureaucratie aan te blijven kaarten.’

En de rol van het wijkteam in dit verband?

‘Jeugdbescherming is het eind van de lijn. Het wijkteam heeft een belangrijke preventieve taak. Je moet snel kunnen schakelen met juf Janneke. Dat betekent wel dat we vertrouwen dienen te hebben in de wijkteams. Die worden nu overspoeld met werk. Ze dreigen een soort vergaarbak te worden voor alles waar we geen raad mee weten. De wijkteams zouden sommige verwijzingen sneller moeten terugsturen naar waar ze thuishoren: de eigenlijke diensten, zoals de woningbouwverenigingen en de schuldhulpverlening. Niet meer loketten maar betere afstemming en samenwerking dus.’

Horen we hier de ouderwetse opbouwwerker?

‘Zeker. Wat dat betreft is er niets nieuws onder de zon. Zorg met elkaar voor een sluitend netwerk rondom een gezin met de wijkteammedewerker als spin in het web. En ook hier geldt dat bijvoorbeeld een functie creëren om samen te eten veel goed kan doen. In mijn periode als wethouder in Utrecht hebben we in de Utrechtse wijk Overvecht in cultureel wijkcentrum Stephanus de keuken vernieuwd. Bewoners hebben hier nu de gelegenheid om wekelijks goedkoop met elkaar te eten. Dat werkt ontzettend drempelverlagend en schept sociale cohesie en nabijheid. Als wijkteam hoor je jezelf daar te laten zien. Dan kun je er snel bij zijn als problemen dreigen te escaleren. Ook de jeugdbescherming zou dat, via het wijkteam, moeten doen. Dat maakt het uitvoeren van eventuele maatregelen naar mijn overtuiging makkelijker.”

Klinkt ideaal, kan dat wel in Nederland?

‘Je bemoeien met andermans opvoeding is lastig in Nederland. De cultuur is meer om je daar niet mee te bemoeien. Mensen zijn vaak afwerend. De kunst is dan juist om wel meer richting de binnencirkel van mensen te komen. Daar moet je in investeren en je moet die sociale verbanden stimuleren en daar ook professioneel op willen inzetten. Ik zie hier vooral voor het wijkteam een kernrol weggelegd. We zijn daar nog niet. Dat is een proces van jaren.’

Het wijkteam moet dus meer in huis hebben?

‘Het wijkteam moet specialistische kennis in huis hebben om goed te kunnen triageren, op veel terreinen. Ook op het gebied van signaleren en aanpakken van kindermishandeling. Als je niet goed kunt beoordelen of iets ernstig is of niet, dan verwijs je te snel of te laat door. De medewerkers in het wijkteam horen zelf op te treden en de regie te houden, ook na doorverwijzing naar specialisten zoals de jeugdbescherming.’

Ook de jeugdhulp kan niet op zijn eigen eiland blijven zitten. Investeren in preventie betekent voor hen meer lokaal samenwerken

Past dit wel bij de rol van de leden van Jeugdzorg Nederland? Dat zijn toch ook aanbieders van specialistische jeugdhulp.

‘Ook de jeugdhulp kan niet op zijn eigen eiland blijven zitten. Investeren in preventie betekent voor hen meer lokaal samenwerken. Je moet bereid zijn om je kennis te delen en beschikbaar te stellen. Jeugdhulp heeft het jeugd- en jongerenwerk erg hard nodig en omgekeerd. Het moet voor gezinnen en jongeren niet uitmaken via welk domein je in beeld komt. Overigens klopt het beeld niet dat Jeugdzorg Nederland er alleen maar voor de specialistische organisaties is. Veel van onze organisaties zitten ook in de wijkteams of worden ingezet voor lichte ambulante hulp. Bovendien worden in toenemende mate ook lokale welzijnsorganisaties lid.’

Dit schuift weer meer in de richting van de zorgzame samenleving zonder domeindiscussies.

‘Jeugdzorg is een logisch onderdeel van onze microsamenleving van alle dag. Neem het voorbeeld van de opvang van lastige jongeren die moeten leren zelfstandig te zijn en verantwoordelijkheid te dragen. Dat kan in speciale projecten buiten de stad, zoals vroeger. Maar beter is om hen binnen de gewone wijken op te vangen. Maar dan moeten de buurtbewoners dit wel oké vinden. Die solidariteit met onze jeugd is niet altijd aanwezig. Dit kan alleen maar als we met de wijkteams en gespecialiseerde jeugdzorg ook aandacht hebben voor de buren van de leefgroepen met jongeren. Zij kunnen hun rol als buur goed vervullen als ze weten waar ze terecht kunnen als het mis gaat. Zo’n totaalplaatje vind ik erg belangrijk.’

Goede zorg vraagt om een fair tarief

Ondersteunen de bestuurders verenigd in Jeugdzorg Nederland dit idee?

‘Ik heb de indruk van wel. Hier kun je niet tegen zijn en het is een beweging die al langer geleden in gang is gezet. De bestuurders willen wel, maar hebben soms hun handen vol om hun organisatie overeind te houden. Zij dienen van de gemeenten de ruimte te krijgen om aan die stip op de horizon te werken: voldoende personeel, kunnen investeren in de kwaliteit van dat personeel door hen in de gelegenheid te stellen zich (bij) te scholen en samenwerking te zoeken met wijkteams en de scholen in de buurt. Het gaat niet vanzelf. Financieel zit de sector in een moeilijke periode. De organisaties mochten jarenlang geen reserves aanhouden en krijgen nu minder geld door overheidsbezuinigingen. Er is nauwelijks geld om te vernieuwen en te transformeren. Als je als samenleving goede jeugdhulp en jeugdbescherming wilt hebben, dienen gemeenten dat vernieuwingsproces te faciliteren en een redelijke prijs te betalen: goede zorg vraagt om een fair tarief. Geld moet hierin niet leidend zijn, want het gaat om de verantwoordelijkheid om te zorgen dat juist de meest kwetsbare jeugd veilig op kan groeien en dat je weet dat ze ondersteuning krijgen wanneer dat nodig is.’

Geplaatst op 1-6-2017 door Loraine Redjosetiko interesting1 651 0

0 Reacties

Geef een reactie

Stuur mij een email bij een nieuwe reactie.