Deel deze pagina:

De Jeugdbescherming van morgen

‘Kinderbescherming is een volkszaak’

Van oudsher is de jeugdbescherming een zaak van vrijwilligers en burgerraden. In honderd jaar tijd hebben overheid en professionals deze verantwoordelijkheid volledig overgenomen. Niet handig, vindt jurist en pedagoog Adri van Montfoort. ‘De staat kan dat helemaal niet waarmaken.’

Professionals denken dat zij weten wat goed opvoeden is, maar dat weten ze niet.

Auteur: Mark Snijder

Dit artikel verscheen eerder in NJij?, het relatiemagazine van het Nederlands Jeugdinstituut. Van Montfoort is één van de hoofdsprekers tijdens het symposium ‘De Jeugdbescherming van Morgen!’.

‘De overheid zegt weleens dat de burger zich heeft teruggetrokken. Maar in de jeugdbescherming is de burger er gewoon uitgegooid door de overheid en de professionals. En soms tegenstribbelend.’ Dat stelt Adri van Montfoort en hij klinkt strijdbaar wanneer hij spreekt over de historische ontwikkeling van verstatelijking en professionalisering in de jeugdbescherming. Zo werden de oorspronkelijke Voogdijraden, die bestonden uit burgers, in de twintigste eeuw omgevormd tot de Raad voor de Kinderbescherming waarin de burger geen rol meer speelt. ‘In de afgelopen eeuw is de burger eruit geduwd. De Raad voor de Kinderbescherming is een mooi voorbeeld, maar het is een veel bredere beweging. Nu moet je gecertificeerd zijn om gezingsvoogd te worden, maar ooit begon ook dat met vrijwilligers.’

De lijfspreuk van de eerste kinderrechter in Nederland was: kinderbescherming is een volkszaak. Maar zo zien we dat niet meer.

Achter deze ontwikkeling lagen vast veel goede bedoelingen?

‘De professionalisering en verstatelijking hebben veel goeds gebracht. Zo waren er in 1900 nauwelijks mogelijkheden om op te treden bij ernstige vormen van kindermishandeling. Dat noem ik beschavingswinst. Maar ik vind wel dat de professionalisering en verstatelijking te ver zijn doorgeschoten. Professionals denken dat zij weten wat goed opvoeden is. Maar dat weten ze niet. Daarmee diskwalificeren we burgers, mensen uit het netwerk, vrijwilligers. De lijfspreuk van de eerste kinderrechter in Nederland was: kinderbescherming is een volkszaak. Maar zo zien we dat niet meer. We zeggen: It takes a village to raise a child, maar we trekken dat niet door naar de jeugdbescherming.’

Waarom is jeugdbescherming een zaak van burgers?

‘Omdat de staat dat helemaal niet kan waarmaken. We moeten zorgen voor een samenleving waarin mensen de ruimte en mogelijkheden hebben om goed voor hun kinderen te zorgen. Daar hoort ook veiligheid bij. De staat komt voor mij pas aan het einde. Want wat de staat kan doen in de kinderbescherming is vrij bot: het gezag beperken of afnemen, of een kind uit huis plaatsen. Maar veertig procent van de kinderen in een pleeggezin knalt daar op enig moment weer uit en heeft dus weer een onzekere toekomst. Stel, een kind wordt thuis verkracht en de staat grijpt in. Dan wordt morgen dat kind niet meer verkracht. Dat noem ik beschavingswinst. Maar dat is iets anders dan dat we dat kind een goede toekomst geven.’

Professionaliteit is teveel gericht op wat de professional zelf kan doen en te weinig op hoe die de denkkracht van anderen kan inschakelen.

Overschatten we de overheid?

‘We lijden aan een maakbaarheidsillusie. We denken dat we alles kunnen voorkomen, maar dat is niet zo. De definitie van kindermishandeling is almaar breder geworden. Maar als twee ouders ruzie hebben, noem ik dat geen kindermishandeling. Of als kinderen te dik zijn omdat ze teveel fastfood krijgen. Ik zie dit als levens- en gezinsvragen, niet als staatsvragen. Bovendien onderschatten we de kracht van mensen in de directe leefomgeving. Professionaliteit is teveel gericht op wat de professional zelf kan doen en te weinig op hoe die de denkkracht van anderen kan inschakelen. Het gaat mij om de bescheidenheid van professionals: zij hebben één perspectief op wat er aan de hand is en wat er nodig is en dat is waardevol. Maar het perspectief van de gezinsleden is evenzeer waardevol.’

Dit zie je wel terug in de jeugdhulp, maar nog niet in de jeugdbescherming?

‘Er staat nog steeds een hek om de jeugdbescherming, zeker als het gaat om de Raad voor de Kinderbescherming. Maar een kind dat bedreigd wordt in zijn veiligheid is in de eerste plaats een gewoon kind, dat net als andere kinderen wil voetballen of ervan droomt zanger te worden. Het is belangrijk dat de ondergrens wordt bewaakt door de overheid. Daarin zit voor mij die beschavingswinst. Maar voor professionals in de jeugdbescherming gaat het om het juiste evenwicht: robuust als het gaat om die ondergrens, bescheiden in de andere situaties.’

Drang vind ik een raar woord: dan doe ik net alsof ik bevoegdheden heb om jou te sturen, maar die heb ik niet. Het is vrijwillig of gedwongen.

Is dat niet lastig in de praktijk?

‘Jeugdbeschermers hebben soms moeite met de dubbele pet: hulp verlenen aan het gezin en ook de autoriteit van de staat vertegenwoordigen. Dat is moeilijk, maar dit is de kern van hun professie. Dat verplicht je daarom om helder en concreet daarover te zijn. En om de autoriteit alleen toe te passen als het echt nodig is.’

Hoe past drang in dit verhaal?

‘Drang vind ik een raar woord: dan doe ik net alsof ik bevoegdheden heb om jou te sturen, maar die heb ik niet. Het is vrijwillig of gedwongen. Ik vind dat je moet zeggen: ‘Als je nog een keer je kind slaat of bezopen bent, meld ik dat bij Veilig Thuis’. Dan ben ik heel zuiver over mijn bevoegdheden en over de voorwaarden. Mensen kunnen dan nog steeds ervaren dat ze met de rug tegen de muur staan. Maar ja, dat is het leven.’

Ik denk dat het meerwaarde heeft als een voogd niet vanuit zijn baan commitment heeft voor een kind, maar het persoonlijk belangrijk vindt dat het goed blijft gaan met dat kind.

Er zijn toch experimenten met een burgervoogd?

‘Ja, maar die gaan moeizaam. Het moet duidelijk zijn wat de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de burgervoogd zijn en of die financiële risico’s of aansprakelijkheidsrisico’s loopt. Die steunstructuur moet worden gefaciliteerd door de overheid, maar tot nu toe wil niemand dat op zich nemen. Wel loopt er in Gelderland een pilot met een aantal jongeren.’

Waarom is die betrokkenheid van burgers goed voor kinderen?

‘Als een kind geluk heeft, blijft zijn voogd totdat het kind 18 jaar is. Maar er zijn kinderen die vijf of zes verschillende voogden hebben gehad. Ik denk dat het meerwaarde heeft als een voogd niet vanuit zijn baan commitment heeft voor een kind, maar het persoonlijk belangrijk vindt dat het goed blijft gaan met dat kind. Ook zien we bijvoorbeeld in het project Humanitas Wel Thuis (zie kader) dat een vrijwilliger iets kan betekenen voor ouders en jeugdigen wat een professional niet kan bieden. Bijvoorbeeld een moeder die zegt: ‘Met een professional praat ik vooral over de problemen, maar met de vrijwilliger kom ik weer onder de mensen’.’

Wordt het proces van professionalisering dus gekeerd?

‘Er zijn voorbeelden waarin we de goede kant opgaan. Maar het waanidee dat we alles kunnen voorkomen is nog fors aanwezig. Kijk naar de discussie over het screeningsformulier voor het signaleren van kindermishandeling: we blijven in de illusie dat we via een technocratische ontwikkeling iets kunnen aanpakken dat eigenlijk een volkszaak is. Een volkszaak gaat niet over formulieren, maar over of het mij iets interesseert wat er met jou gebeurt. We moeten het zoeken in het humane, niet in het technocratische.’

Geplaatst op 26-6-2017 door Lucinda van Ewijk interesting13 2209 2

2 Reacties

Geef een reactie

Stuur mij een email bij een nieuwe reactie.

  1. Helena

    Ik sluit me hierbij aan en ik kan gelukkig zeggen dat het netwerk inzetten een grote positie heeft bij het inzetten van hulp bij het CJG Den Haag.
    Ik zeg altijd als jeugdverpleegkundige; ik ben er maar voor even en het netwerk is er (bijna) altijd.

  2. 'Hilda Hilbrand'

    Ik vind het een heel respectvol artikel. Maar ik heb niet zoveel vertrouwen in volkszaken. Ik woon al mijn hele leven in volksbuurten met van die ‘gezellige’ volkse types die als je niet in hun straatje past (letterlijk en figuurlijk niet), alles wat ze maar kunnen bedenken tegen je gebruiken. Desnoods door je als moeder verdacht te maken met leugens. Omgekeerd maak ik mee dat mijn serieuze meldingen, zorgen om bep. situaties die ik als buurvrouw meemaak, niet serieus genomen worden. Als de professionals al zo moeilijk onderscheid kunnen maken tussen mensen, omdat ze niet door uiterlijkheden heen kijken, hoe moeten burgers onderling dan kinderen beschermen?
    Ook zie je bij de professionals het vooroordeel dat verwaarlozing en mishandeling alleen voorkomt onder sociale minima. Omdat ze denken dat die allemaal aan de drank zijn, gek, lui , ongestructureerd en dus niet kunnen opvoeden. Terwijl ze de echte probleemgevallen laten lopen. Over werkende ouders mag je al helemaal geen verkeerd woord zeggen. Maar ik zie een hoop verwaarlozing om mij heen. En dat uit zich in zeer ongewenst gedrag.
    We leren allemaal hoe je kinderen moet maken. Maar niet hoe je er voor moet zorgen. Dat doen veel mensen onbewust, zonder na te denken over hoe en waarom en hun eigen bagage. Misschien is papa en mama worden iets wat geleerd kan worden. Zoals je ook kunt leren een jeugdbeschermer te worden. Om in een auto te stappen heb je ook eerst een rijbewijs nodig.
    Ik verbaas mij erover dat de overheid zich aan de ene kant steeds meer terugtrekt, tegelijkertijd de controle en het binnendringen in de privésfeer groter wordt. Het lijkt vooral een geldkwestie. Hoor ik in het artikel nu de stem van een pedagoog of van een D66 politicus?
    Als je de website bekijkt van Jet van Gent (voor de lach van een kind), geloof ik niet dat we kinderbescherming over moeten laten aan het volk. Palingpop. Dàt is een volkszaak. De veiligheid van kinderen is van een hogere orde.
    Vriendelijke groet,
    schrijfster van Luchtwortels, onterecht verdachte moeder, gediplomeerd kinderleidster en slachtoffer van. (kan het woord niet uitspreken)