Deel deze pagina:

Werk in uitvoering

Sneller zorgen delen over mogelijke kindermishandeling

Dit artikel verscheen eerder in vakblad BBMP.

In 2016 gingen 682.000 kinderen naar de kinderopvang of buitenschoolse opvang. Omdat de medewerkers daar dagelijks contact hebben met de kinderen en hun ouders, heeft de opvang een belangrijke plek verworven binnen het landschap van preventie en opvoeding. Het is bij uitstek een plek geworden waar vroegsignalering plaatsvindt.

Er zou meer erkenning moeten komen voor de signalerende rol van de kinderopvang.

Auteurs: Josine Holdorp en Su’en Verweij Kwok

In de opvang spelen pedagogisch medewerkers een belangrijke rol in de verzorging en opvoeding van kinderen. Maar omdat ze veel contact met de ouders hebben, vervullen ze ook een belangrijke taak in het vroegtijdig signaleren van opvoed- en opgroeiproblemen en mogelijke kindermishandeling.

Met name dat laatste is iets waar pedagogisch medewerkers regelmatig mee te maken krijgen, zo blijkt uit een kleinschalig onderzoek van het Nederlands Jeugdinstituut en de Universiteit Utrecht (Daamen, 2016). Van een groep van 188 ondervraagde pedagogische medewerkers geeft 55 procent aan één of meerdere keren een vermoeden te hebben gehad van kindermishandeling. Dat is ruim één op de twee, een behoorlijk hoog percentage.

Een ander opvallend resultaat uit het onderzoek is dat respondenten die nooit een vermoeden van kindermishandeling hebben gehad voor een groot deel al langere tijd (gemiddeld 10 jaar) in de kinderopvang werken. Op basis van de prevalentiecijfers van kindermishandeling en gezien het aantal kinderen dat gebruik maakt van kinderopvang, mag worden verwacht dat er bij pedagogisch medewerkers meer vermoedens zijn en dat er vaker wordt gemeld. De onderzoeker noemt als verklaring dat signalen van mogelijke kindermishandeling wellicht niet als zodanig herkend worden.

Er is behoefte aan het verbeteren van gespreksvaardigheden, zodat vermoedens op een open en respectvolle manier besproken kunnen worden.

Verbeteren gespreksvaardigheden

Na het afnemen van de vragenlijsten hield Daamen interviews met pedagogisch medewerkers. Daaruit kwam naar voren dat zij in hun (mbo)opleiding weinig informatie over kindermishandeling hebben gekregen. De pedagogisch medewerkers geven aan behoefte te hebben aan (herhaaldelijke) scholing over onder andere het herkennen van signalen van mogelijke kindermishandeling. Ook is er behoefte aan het verbeteren van gespreksvaardigheden, zodat vermoedens op een open en respectvolle manier besproken kunnen worden met de ouders.

Soortgelijke conclusies komen naar voren uit het onderzoek van de Amsterdamse GGD (Leyen & Isaac, 2016). In opdracht van de gemeente Amsterdam is gekeken naar hoe de meldcode kindermishandeling  effectiever ingezet kan worden in de kinderopvang. Uit eerder onderzoek door de GGD Amsterdam bleek namelijk dat mogelijke gezinsproblematiek wel wordt gesignaleerd, maar dat deze niet structureel in verband wordt gebracht met de mogelijkheid van kindermishandeling. Dit komt onder andere doordat het signaleren van kindermishandeling niet is opgenomen in de bestaande zorgstructuur van kinderopvangorganisaties. Er zou, op verschillende manieren, meer erkenning moeten komen voor de signalerende rol van de kinderopvang en de ondersteuning van de pedagogisch medewerkers in deze taak.

Handelingsverlegenheid verkleinen

Bij Ska Kinderopvang (regio Amersfoort) herkennen ze de uitkomsten van de onderzoeken én zijn ze zich bewust van hun signaleringsrol. Ska heeft daarom pedagogisch specialisten aangesteld, zo vertelt projectmanager Joke Spruit. Deze specialisten zijn medewerkers die op de groep werken en hun pedagogische kennis met hun collega’s delen via coaching on the job en video interactie begeleiding (vib). Zij volgden hiervoor een speciaal opleidingstraject van anderhalf jaar.

Omdat de specialisten ouders dagelijks zien, stellen ouders makkelijk vragen aan hen, pikken zij signalen op en kunnen zij deze signalen laagdrempelig en vroegtijdig met ouders bespreken. De specialisten zijn ook het aanspreekpunt voor collega’s, ouders en andere professionals in de wijk of op scholen. Daarnaast werken ze aan ouderbetrokkenheid en werken zij samen met het onderwijs en andere partners.

Het komt heel weinig voor dat de pedagogische specialisten en pedagogisch medewerkers hun zorgen kunnen vertalen naar vermoedens van kindermishandeling.

Mariëlle van Hees en Nicole Benink zijn pedagogisch specialisten bij Ska Kinderopvang. Zij vinden dat zij, samen met de pedagogisch medewerkers, goed in staat zijn bijzonderheden rond een kind en het gezin te signaleren. Als medewerkers zorgen hebben, bespreken zij deze met de pedagogisch specialisten en leggen ze dit in het digitaal rapportagesysteem vast. Zo is informatie direct zichtbaar voor de collega’s die betrokken zijn bij het kind en zijn ouders.

Als er vermoedens zijn van gezinsproblematiek observeren de pedagogisch medewerkers extra en gaan ze met de ouders in gesprek. Zij maken daarbij gebruik van een stappenplan, dat zorgt voor zorgvuldig handelen en ouders duidelijk maakt wat zij van de medewerkers van Ska Kinderopvang kunnen verwachten. De werkwijze bij vermoedens van mogelijke kindermishandeling is vastgelegd in een ander, tweede protocol. Ook hier zijn zorgvuldige stappen en transparantie van belang.

Het komt heel weinig voor dat de pedagogische specialisten en pedagogisch medewerkers hun zorgen kunnen vertalen naar vermoedens van kindermishandeling. Zelf heeft Nicole dat maar één keer meegemaakt tijdens haar loopbaan. En dat terwijl zij zich er goed van bewust is dat zij, gezien de landelijke cijfers, op elk locatie een aantal kinderen zullen hebben die slachtoffer zijn van kindermishandeling.

Zorgen delen

Wetende dat medewerkers weinig kennis over het signaleren van kindermishandeling meekrijgen in hun opleiding, leggen Mariëlle en Nicole bij pedagogisch medewerkers de nadruk op het belang van het delen van de signalen die zij hebben opgevangen. Pedagogisch medewerkers vinden het over het algemeen prettig om de verantwoordelijkheid samen met anderen te dragen. Zij bespreken hun zorgen dus met de pedagogisch specialist en die legt het, waar nodig, neer bij de manager.

Je hoeft niet te weten wat je met de signalen moet doen, als je ze maar wel meldt.

‘Daarmee verkleinen we hopelijk de kans dat pedagogisch medewerkers een te grote drempel ervaren in het aangaan van het gesprek met ouders en denken: “Laat maar, ik heb het vast mis”’, zegt Mariëlle. ‘Je hoeft niet te weten wat je met de signalen moet doen, als je ze maar wel meldt.’

Over het algemeen lukt het goed om zorgen te bespreken met ouders, al dan niet in aanwezigheid van de pedagogisch specialist, maar het blijft iets wat je niet zomaar doet. Net als uit het onderzoek van Daamen (2016) blijkt, hebben medewerkers van Ska behoefte aan het verbeteren van hun gespreksvaardigheden op dit gebied.

Nicole: ‘Collega’s vinden het spannend om hun zorg met ouders te delen. Mijn advies: houd het bij het belang van het kind. Daar vind je elkaar. Het zou meer normaal moeten zijn om als mede-opvoeder in gesprek te zijn met ouders en ze aan te spreken vanuit het uitgangspunt dat iedere ouder het beste wil voor zijn kind.’

‘Het is voor ouders niet eenvoudig om hun problemen met de opvoeding te bespreken. Als je goed luistert naar de ouders kun je aansluiten bij mogelijke vragen en zo een relatie als mede-opvoeder opbouwen. Dit vraagt wel extra expertise en senioriteit. Daarom investeert Ska kinderopvang in doorlopende scholing aan medewerkers.’

We komen steeds beter als preventiepartner in zicht.

Samenwerkingspartners

Naast de dialoog met ouders wordt vanuit Ska ook gewerkt aan de relatie met samenwerkingspartners, zowel op bestuurlijk als op uitvoerend niveau. Ska zit aan tafel bij het jeugdoverleg binnen de gemeente Amersfoort en is er een samenwerking met scholen, wijkteams en jeugdhulp. Zo kan Ska consultatie inroepen bij Youké (een organisatie voor jeugd- en opvoedhulp) wanneer er vragen zijn over gedrag van een kind op de groep. Op casusniveau proberen zij contacten op te bouwen met het wijkteam, het Centrum voor Jeugd en Gezin en de scholen.

Joke: ‘We komen steeds beter als preventiepartner in zicht. Het beeld is dat wij nog niet bezig zijn met veilig opgroeien, terwijl wij dat wel degelijk doen. We hebben een natuurlijk contact met de ouder en kunnen naast de ouder staan. Met elkaar kunnen we ervoor zorgen dat we signalen van kindermishandeling beter onderkennen, het goede gesprek met ouders voeren en ze leiden naar passende hulp. Iedere ouder wil namelijk het beste voor zijn kind, ook al lukt dat soms even niet.’


Bronnen:
Daamen, E. G. (2016). De rol van pedagogisch medewerkers in de kinderopvang bij het signaleren van kindermishandeling (Master’s thesis).
Leyen, E.A. & Isaac, M. (2016) Durven signaleren. Naar een effectiever gebruik van de meldcode kindermishandeling in de kinderopvang. GGD Amsterdam, Hygiëne & Inspectie.

Geplaatst op 30-5-2017 door Lucinda van Ewijk interesting2 507 0

0 Reacties

Geef een reactie

Stuur mij een email bij een nieuwe reactie.