Deel deze pagina:

Wetenschap op de werkvloer

‘Zet het familiegroepsplan gerichter in’

Vorig jaar bleek uit onderzoek dat het inzetten van een familiegroepsplan binnen de jeugdbescherming niet beter, maar ook niet slechter is voor de veiligheid van het kind. Het Nederlands Jeugdinstituut ging op zoek naar mogelijke verklaringen en schreef een advies voor de Tweede Kamer.

Het werken met een familiegroepsplan verschilt nauwelijks van de werkwijze in de reguliere jeugdbescherming.

Auteur: Lucinda van Ewijk

In 2016 publiceerde het WODC een onderzoek naar het inzetten van familienetwerkberaden in de jeugdbescherming. De bevindingen van dat onderzoek waren duidelijk: het gebruiken van een familiegroepsplan werkt niet beter, maar ook niet slechter dan de reguliere jeugdbescherming. Bij 41% van de gezinnen waaraan een familiegroepsplanaanpak wordt aangeboden komt het daadwerkelijk tot een plan. Gemiddeld duurt het opstellen daarvan 18 weken. In het merendeel van de gevallen wordt er na drie maanden niet meer met het plan gewerkt.

De afgelopen maanden ging het Nederlands Jeugdinstituut, in opdracht van het ministerie van Veiligheid en Justitie, op zoek naar mogelijke verklaringen voor de resultaten uit het WODC-onderzoek. Die verklaringen en bijbehorende adviezen zijn gebundeld in het follow-up onderzoek ‘Familiegroepsplan in de jeugdbescherming’, dat afgelopen maand door het kabinet naar de Tweede Kamer is gestuurd.

Familiegroepsplan vs. reguliere werkwijze

Cliënten willen niet zozeer alles zelf bepalen, maar gehoord worden en meedenken over oplossingen.

Het follow-up onderzoek gaat uitgebreid in op de vraag hoe het kan dat het werken met het familiegroepsplan geen ander effect heeft dan het werken binnen de reguliere werkwijze van de jeugdbescherming. Hier zijn volgens de onderzoekers een aantal verklaringen voor.

De eerste verklaring is dat er nauwelijks verschillen zijn tussen het werken met een familiegroepsplan en de reguliere werkwijze in de jeugdbescherming. Het werken met het netwerk en de eigen kracht van het gezin heeft al sinds 2001 zijn intrede gedaan in de jeugdbescherming en maakt tegenwoordig deel uit van de werkwijze bij een ots. Hierdoor wordt het verschil met werken met een familiegroepsplan kleiner.

Een andere verklaring is dat voor ouders niet de vorm, maar het resultaat belangrijk is. Uit interviews die de onderzoekers hielden met zes cliënten blijkt dat zij niet zozeer alles zelf willen bepalen, maar vooral gehoord willen worden, serieus genomen willen worden en mee willen denken over oplossingen. Dat kan ook binnen de reguliere uitvoering van de ots, zonder familienetwerkberaad. Het familiegroepsplan is een vorm, maar zeker niet de enige manier om de inbreng van ouders te waarborgen.

Complexe problematiek

Hoe complexer de problematiek, hoe moeilijker het is om tot een familiegroepsplan te komen.

Er zijn volgens de auteurs van het rapport ook andere factoren die bepalen of een familiegroepsplan slaagt. Zo geldt – en dat blijkt ook uit het WODC-onderzoek – dat hoe complexer de problematiek, hoe moeilijker het is om tot een familiegroepsplan te komen. Het zelf opstellen en uitvoeren van zo’n plan blijkt voor veel gezinnen een grote opgave; vaak zitten zij juist daarom bij de jeugdbescherming.

Dat het gemiddeld 18 weken duurt voordat er een plan op tafel ligt heeft meerdere oorzaken. Zo kan het zijn dat gezinnen en hun families simpelweg langer de tijd nodig hebben om te besluiten of zij een familiegroepsplan willen, of hebben zij langer de tijd nodig om afspraken te maken met het netwerk. Daarnaast pakken gezinsvoogden, die vanaf dag één verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van een kind, vaak direct de eerste problemen aan met een plan dat meteen wordt ingezet. Pas later wordt de keuze gemaakt om een familiegroepsplan op te stellen, als dit bij het gezin past.

Regie bij de gezinsvoogd

De gezinsvoogd zou altijd de regie moeten houden, ook als een extern coördinator met het gezin gaat werken.

In de gevallen waarbij het tot een familiegroepsplan komt blijkt vaak dat er na drie maanden niet meer met het plan gewerkt wordt. Mogelijke oorzaken hiervan zijn dat de problematiek in sommige gevallen te complex is, de gemaakte afspraken niet meer relevant zijn of omdat het familiegroepsplan de onderliggende problemen niet behandelt. Ook kan het zijn dat de gezinsvoogd door de familie of de onafhankelijk coördinator niet (genoeg) betrokken is bij het opstellen van het plan, waardoor deze met een eigen plan blijft werken. Dit terwijl een gezinsvoogd volgens de schrijvers van het follow-up onderzoek altijd de regie zou moet houden, ook als een extern coördinator met het gezin gaat werken.

Een belangrijke factor voor het succesvol uitvoeren van de ots is dat de gezinsvoogd een oprechte samenwerkingsrelatie met het gezin opbouwt, waarin kwetsbaarheden en pijnlijke conclusies getrokken kunnen en moeten worden. Dit aspect van de ots kan niet zomaar overgedragen worden of overgelaten worden aan het gezin zelf, aldus de auteurs van het rapport. Dit betekent dat de inzet van een extern coördinator alleen nut heeft als alle betrokkenen ermee instemmen en er goed samengewerkt wordt. Dit vraagt van de gezinsvoogd dat hij de intentie moet hebben dat de ouders zelf het plan opstellen. Als dat beter gaat met externe ondersteuning, dan zou daar voor gekozen moeten worden.

Aanbevelingen

Een familienetwerkberaad bij de start van een traject zet wel de toon, maar hoeft niet het gunstigste moment te zijn.

In het onderzoek doet het Nederlands Jeugdinstituut een aantal aanbevelingen. Zo vinden de schrijvers van het onderzoek dat gezinsvoogden het werken met een familiegroepsplan tot hun standaardrepertoire moeten rekenen. Dat vereist dat ze goed kunnen samenwerken met een extern coördinator én in staat zijn om zelf met ouders het proces van het familiegroepsplan te doorlopen.

Verder zou een familiegroepsplan meerdere keren tijdens een ots kunnen worden ingezet. Dat haalt de druk eraf dat het eerste plan ook meteen alle problemen op moet lossen. Werken met haalbare en realistische plannen waarbij kleine stappen gemaakt worden is aantrekkelijker, zowel voor ouders als voor gezinsvoogden.

Ten slotte zou het familiegroepsplan gerichter ingezet kunnen worden. Een familienetwerkberaad bij de start van het ots-traject zet wel de toon voor de eigen verantwoordelijkheid en de rechten van het gezin, maar hoeft niet per definitie het meest gunstige moment te zijn. Vertrouwen in de gezinsvoogd en de familie zijn erg belangrijk voor het slagen van het familiegroepsplan en soms zijn die factoren pas later in het proces aanwezig.

Het kabinet heeft de aanbevelingen uit het rapport overgenomen. In samenwerking met het veld wordt bekeken op welke wijze deze gerealiseerd kunnen worden.

Bosch, H. van den & Lantinga, M. (2016) Familiegroepsplan in de jeugdbescherming. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut

 

Geplaatst op 23-3-2017 door Lucinda van Ewijk interesting3 1106 0

0 Reacties

Geef een reactie

Stuur mij een email bij een nieuwe reactie.